The Broker Online

Houdt ambassades op de achtergrond

Arie Kuyvenhoven is Professor in Development Economics at Wageningen University.

De brief van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over kennisbeleid valt in vijf secties uiteen. Zo is ook het commentaar ingedeeld.

Huidige praktijk

Een eerlijk en daardoor schokkend overzicht. Nog geen procent van de begroting van ontwikkelingssamenwerking gaat naar onderzoek en daarvan slechts de helft, een schamele 35 miljoen euro, naar 70 activiteiten waar onderzoek centraal staat. Kortom, versnippering en in veel gevallen gebrek aan kritische massa.

De verdere kenschets van DGIS spreekt voor zich en bevestigt nog eens een fundamenteel gebrek aan professionaliteit op kennisgebied. De opmerking dat in veel ontwikkelingslanden kennis en onderzoekscapaciteit schaars is, kan verkeerd worden opgevat. Dat geldt voor een aantal lage-inkomenslanden, maar niet meer in algemene zin. Ontwikkelingslanden als India, China of Brazilie hebben inmiddels een omvangrijke en hoogstaande onderzoekscapaciteit. De nota lijdt wat dat betreft wat aan een Afrika bias en vertolkt soms een tamelijk conventioneel beeld van ontwikkeling.

Nieuw beleid

Het nieuwe beleid is voor de hand liggend: minder versnippering door prioriteiten als relevantie (in ontwikkelingslanden, neem ik aan) en kwaliteit van het Nederlandse aanbod centraal te stellen. Dat laat ook de organisatie van DGIS niet onverlet, maar nergens wordt de opmerking gemaakt dat die ingebed is (en blijft) in het geheel van Buitenlandse Zaken. Maar het meest belangrijke wordt niet genoemd: is 1 procent onderzoeksbudget toereikend voor de impliciet gestelde doelen? Of is dit budget de zoveelste inputverplichting?

Kennisplatforms

Vervolgens worden vijf prioritaire thema’s geponeerd (zonder nadere argumenten) waar het onderzoekgeld zich op zal gaan richten (daarbij komt het thema SRGR wat duister voor buitenstaanders over, het zou een wat meer aansprekende naam kunnen hebben). Voor elk thema wordt een kennisplatform ingesteld dat redelijk zwaar bureaucratisch wordt aangekleed. Waarom er vijf aparte platforms nodig zijn, wordt niet uitgelegd. Ook valt niet op te maken of daarbij gebruik kan of zal worden gemaakt van bestaande capaciteit binnen of buiten het apparaat, en hoe die capaciteit binnen het personeelsbeleid van Buitenlandse Zaken gaat functioneren.

Wel wordt opnieuw vermeld, als ware dit een nieuw idee, dat kennisinstellingen in Nederland en ontwikkelingslanden moeten samenwerken. Dat gebeurt in de onderzoekwereld al jaren op ruime schaal, het is doorgaans zelfs de regel, maar niet via dure en ongetwijfeld veel reizende gemengde commissies. Het geeft te denken dat noch DGIS noch het parlement hier kennelijk weet van heeft. Laat ambassades vooral geen al te grote rol krijgen bij het samenbrengen van partijen, dat kunnen de instellingen zelf het beste.

Zo te lezen komt het uiteindelijke budget uit “intensivering” en “reallocatie”, maar wordt ingegeven door behoefte en mogelijkheden. Dit oogt als twee uitersten, en laat veel in het vage. Voorzover de tenderprocedures bedoeld zijn om een sterke kwaliteitsimpuls te geven, kan dit alleen maar toegejuicht worden, als DGIS daar dan ook consequent in is. De concurrentie op kwaliteit kan bij een aantal van de speciaal gefinancierde kennisinstellingen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in Nederland hard aankomen als universiteiten en andere onderzoeksinstellingen op gelijke voorwaarden kunnen meedingen. Daar is uit kwaliteitsoogpunt alles voor te zeggen, maar het is goed te beseffen dat hier belangen getroffen gaan worden.

Het is te prijzen dat DGIS de procedures rondom deze tendering uitbesteed. Van de ervaring van organisaties als NWO, WOTRO of de KNAW kan hier goed gebruik worden gemaakt.

Kennisinstellingen

De opmerkingen over de Nederlandse kennisinstellingen zijn in lijn met de genoemde consequenties die in punt 3 zijn aangestipt. Instellingssubsidies zullen ook niet meer nodig zijn als de speciale kennisinstellingen in principe bij universiteiten of onderzoekinstituten onderdak vinden, die op hun beurt voor de overhead en verplichtingen zorg dragen. In de UK en de VS fungeert deze wijze van financieren goed, op voorwaarde dat het budget van voldoende omvang is om kritische massa te genereren. Dat de huidige financiering van speciale kennisinstellingen in Nederland als complex wordt beschouwd, kan misverstanden wekken. Die van de reguliere universiteiten is niet anders.

De opmerkingen over ontwikkelingslanden maken een weinig geinformeerde indruk. Internationale samenwerking tussen partners bij onderzoek is de regel. Het onderscheid tussen capaciteitsopbouw in, kennisoverdracht naar en kennisuitwisseling met ontwikkelingslanden wordt node gemist.

Beleid voor kennis

Dit is het meest netelige onderdeel van de kennisbrief, zeker in combinatie met de opmerkingen over NL Aid. Allereerst valt op dat een aantal verworvenheden uit het verleden die inmiddels verdwenen zijn, ten koste van het collectief geheugen, weer aan bod komen. Beperking van de periodieke roulatie om kennis en expertise vast te houden, maar geen aanduiding hoe dit binnen het personeelsbeleid van Buitenlandse Zaken valt te realiseren. Ook zie ik beleidsadviesfuncties (zoals bij SA en SB) in andere vorm terug keren. Voorbereiding en uitvoering van beleid worden weer meer gescheiden. Tenslotte is er fraaie proza over het “nieuwe werken”.

Met NL Aid als uitsmijter eindigt de brief in een groot vraagteken. De kennisbrief stelt dat al de voorgestelde maatregelen binnen het apparaat een afzonderlijke organisatie als NL Aid overbodig maken. In theorie klopt dat misschien, maar decennia aan ervaringen met Buitenlandse Zaken en DGIS laten zien dat de voorgestelde maatregelen illusoir zijn. Een lange traditie van generalisten als kenmerkend voor Buitenlandse Zaken en de wens de ontwikkelingsfondsen van DGIS binnen het departement te houden, zal de status quo continueren. De enige oplossing om de gestelde doelen en maatregelen in enigerlei vorm te realiseren, is een aparte organisatie naar analogie met veel andere donoren. Daarvoor is echter een zwaar machtswoord nodig, en dat valt op korte termijn niet te verwachten.

Het slotwoord tegen NL Aid ondermijnt de consistentie van de gehele brief. Ineens hebben ontwikkelingslanden wel eigen capaciteit en zijn ze machtiger en mondiger in de huidige wereld, waardoor, zo wordt betoogd, ontwikkelingssamenwerking politiek, economie en diplomatie verbindt. Het laatste staat, maar als dat eerste waar is, hoeveel ontwikkelingssamenwerking is dan eigenlijk nog nodig?

 
Author: Arie Kuyvenhoven

About the author

Arie Kuyvenhoven is Professor in Development Economics at Wageningen University.

Want to know more?
Get in touch with us
Contact