News

Nederland trekt zich terug in Fort Europa: het eurocentrisme van de WRR

Knowledge brokering25 Jan 2011Erik Nijland

De Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft in het afgelopen half jaar een tweetal omvangrijke rapporten gepubliceerd.Minder pretentie, meer ambitie’ gaat over ontwikkelingssamenwerking en de recente nota Aan het buitenland gehecht behandelt het buitenlandbeleid. Wat met name mist in deze rapporten is een overkoepelende, holistische visie op de globaliseringstendensen en met name wat deze voor Nederland betekenen in relatie tot de ‘Global common goods’ als energie, voedsel en water. ‘Minder pretentie, meer ambitie’ benadrukt economische groei en ontwikkeling, terwijl ’Aan het buitenland gehecht’ zich welhaast buiten het economische veld lijkt af te spelen.

Het afscheid van het bipolaire machtsdenken heeft niet geleid tot een fundamentele heroverweging van de rol van Europa in dat nieuwe multipolaire krachtenveld. De WRR kiest voor een versterking van Europa -waar op zich niets mis mee is, als dat de positie van Nederland ook ten goede komt- maar kijkt te weinig over de grenzen van Fort Europa heen en mist op deze manier de aansluiting met belangrijke tendensen in de globalisering die met diezelfde ‘Global common goods’ te maken hebben. Bovendien is de onderlinge relatie tussen beide WRR rapporten nogal mager en dat is een gemiste kans in een wereld waar ontwikkelingssamenwerking in toenemende mate zich zal moeten richten op die ‘Global common goods’ en zich op een coherente wijze moet verhouden tot het buitenlandbeleid. De reeds lang bepleite coherentie van ontwikkelingssamenwerking met buitenlandbeleid laat nog veel te wensen over, omdat het nu gaat over twee toch grotendeels los van elkaar staande rapporten. Toch bieden beide rapporten interessant leesvoer.

Het in december 2010 verschenen WRR rapport ‘Aan het buitenland gehecht’ besteedt vrijwel geen aandacht aan ontwikkelingssamenwerking. Er wordt gemakshalve slechts mondjesmaat verwezen naar het eerdere WRR rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’, dat over ontwikkelingssamenwerking gaat en een paar maanden eerder is uitgekomen. De WRR besteedt in ‘Aan het buitenland gehecht’ bijzonder weinig ruimte aan een analyse van armoede en ongelijkheid in de wereld, hoe zich dit verhoudt tot het buitenlandse beleid en welke rol Nederland in dat krachtenveld wil en kan spelen. Het ontbreekt aan een politieke machtsanalyse, die op internationale leest is geschoeid. Bescherming tegen externe dreigingen lijkt hier vooral de raadgever en niet zozeer het kiezen voor kansen die een oriëntatie op het wereldtoneel ook kan bieden. Daarnaast is het opvallend dat het economisch primaat van ‘Minder pretentie, meer ambitie’ kennelijk niet geldt voor het buitenlandbeleid; er is geen aandacht voor handelsverhoudingen in dit WRR–rapport of welke rol economische ontwikkeling in het buitenlandbeleid dient te spelen en hoe zich dit verhoudt tot een ontwikkelingsagenda (waar de MDGs integraal onderdeel van uitmaken), terwijl deze keuze voor economische belangen wel breed is uitgemeten in het WRR-rapport over ontwikkelingssamenwerking.

Global common goods

En zo hebben we in korte tijd twee op zichzelf ogenschijnlijk imposante en doorwrochte adviezen van de WRR: eén over ontwikkelingssamenwerking en eén over buitenlands beleid. Maar helaas schort het aan de onderlinge samenhang en wordt er niet een duidelijke visie gepresenteerd op globaliseringstendensen in relatie tot de ‘Global common goods’. Een gemiste kans, temeer daar in het buitenlandbeleid van de meest recente WRR-nota gekozen wordt voor een eenzijdige concentratie op Europa, en ontwikkelingssamenwerking slechts een minimale verwijzing krijgt. Nu is er op zich niets op tegen om de positie van Europa te benadrukken en te versterken, zeker in een wereld die in toenemende mate gekenmerkt wordt door multipolair machtsdenken. Maar hou daarbij wel voor ogen dat er meer is dan Europa, en daar schort het aan in het meest recente WRR-rapport. Daarmee spreekt de WRR zichzelf in feite tegen door niet de eerder bepleite samenhang te benadrukken tussen bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking, duurzame energie en klimaatverandering en daarmee de ‘global common goods’ op de eigen agenda te prioriteren. Nationale belangen worden als leidraad gepresenteerd, maar wie bepaalt uiteindelijk welke dat zijn en welke niches Nederland binnen zijn eigen ‘vrije’ ruimte kiest? Ontwikkelingssamenwerking valt niet eens onder de ‘secundaire belangen’, waar de WRR over rept en is gedegradeerd tot een bijrol in het buitenlandbeleid. Maar misschien is dat ook wel een afspiegeling van het feit dat we geen minister voor OS meer hebben maar slechts een staatssecretaris, die OS ook als bijzaak heeft in zijn voornamelijk Europese portefeuille.

De WRR stelt terecht dat we het niet alleen kunnen en elkaar nodig hebben in een globaliserende wereld. ‘De economie van Nederland, met zijn externe gerichtheid vraagt daar ook om’. Het WRR-rapport stelt verder dat er een netwerkwereld is ontstaan, die het statelijke niveau overstijgt. In toenemende mate communiceren bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties en hun bewegingen zonder de overheid als regisseur nodig te hebben. Tegelijkertijd is er de noodzaak voor een duidelijke en sterkere regie vanuit die overheid. Het is deze paradox die de WRR heeft verleid tot het concentreren van de aandacht op Europa. Europa versterken is prima, maar juist in een globaliserende wereld is er reden te over om de aandacht ook te richten op andere delen van de wereld dan Fort Europa.

De WRR constateert – terecht – dat het buitenlands beleid langzamerhand is verworden tot een lappendeken van ad-hoc beleid en geen echte duidelijke keuzes maakt in thema’s en prioriteiten. De pleidooi voor scherpere keuzes onderschrijf ik, maar niet de keuzes die men nu voorstaat. De angst voor globalisering en de neiging om ons te willen terugtrekken achter de dijken is geen goede voedingsbodem voor een pleidooi voor een meer open blik naar de buitenwereld. Toch is dit laatste meer dan ooit nodig.

De WRR omarmt het begrip ‘network power’: wie als land een goed idee en een heldere strategie heeft kan mensen mobiliseren, agenda’s beïnvloeden en in daartoe geschikte netwerken een medespeler worden, zo stelt de WRR. En daarbij wordt het voorbeeld van Canada aangehaald in de campagne tegen landmijnen. Maar met de verdergaande uitholling van de internationale verbindende thema’s die dit rapport tentoonspreidt lijkt de rol van Nederland zich alleen maar verder te reduceren. Weinig ‘network power’ van Nederland, zo lijkt het.

Niches

Of is het kiezen van een niche een oplossing? De WRR noemt drie mogelijke niche-thema’s: water en klimaat, voedsel en duurzaamheid en internationale rechtsorde. Maar het feit dat klimaat niet wordt gekoppeld aan voedsel en duurzaamheid niet aan water geeft al aan hoe verknipt er getracht wordt te komen tot unieke rood-wit blauwe niches. Niemand zal ontkennen dat thema’s die in het regeerakkoord worden genoemd als o.a. veiligheid, gezondheidszorg, klimaat, energie, water en de landbouwproductie geen belangrijke thema’s zijn. Zeker in relatie tot het buitenlandse beleid zijn dit prioritaire zaken. En water en voedsel(-zekerheid en landbouw) als sectoren voor ontwikkelingslanden helemaal. Maar waarom deze thema’s en waarom geen andere en wat is de link met het vorige WRR-rapport en de OS-prioriteitenlijst uit Knapens kamerbrief waar gender en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) op prijken? Waarom is er niet gekozen voor andere thema’s als het versterken van het maatschappelijk middenveld, seksuele diversiteit of MVO/duurzaam ondernemen om maar wat voorbeelden te noemen? Hoe deze drie thema’s zich verhouden tot de nieuwe stokpaardjes van het OS-beleid als neergelegd in de Basisbrief ontwikkelingssamenwerking van 26 nov. 2010 waarin wordt gesteld dat ‘ontwikkelingssamenwerking integraal onderdeel is van breed buitenlands beleid’ en waar veiligheid en rechtsorde in fragiele staten en SRGR ook expliciet genoemd worden, blijft echter onduidelijk.

Eurocentrisme

Europa blijft met dit rapport vooral ijkpunt als buffer voor het opvangen van de schokken van buiten en niet als springplank naar de rest van de wereld, inclusief ontwikkelingslanden. Ook dat is een uiting van een visie die niet uitgaat van een mondiaal handelingsperspectief, maar van een onderhuidse angst voor het vreemde en onbekende. Nederland is bij uitstek in staat om ontwikkelingssamenwerking een Europese zaak te maken, maar laat deze ambitie schieten via deze magere nota, die geen holistische visie heeft over globalisering en welke kansen dat voor Nederland in Europa biedt: OS wordt hooguit genoemd in nevenschikking met defensie en diplomatie of als integraal onderdeel van het 3D beleid. De WRR hinkt zo op twee gedachten, maar ontwikkelingssamenwerking wordt zo wel gedegradeerd tot een ‘posterioriteit’.

De WRR stelt dat Europa de dominante en politieke arena is, maar tegelijkertijd dat Europa voor veel vraagstukken een te kleine arena vormt: voedselzekerheid, energie, klimaat en financiële stabiliteit zijn globaliseringsvraagstukken die vragen om een mondiale governance. Helemaal mee eens, maar de WRR erkent onvoldoende dat NGOs en maatschappelijke organisaties een goede rol kunnen spelen bij multi-stakeholder processen en in het verbinden van mondiale sociale bewegingen die zich hard maken voor de zwaksten in het noorden en het zuiden. Juist in het verduurzamen van ketens als b.v. koffie en cacao hebben in Nederland NGOs samen met bedrijven voor internationale doorbraken gezorgd.

De WRR pretendeert de eigentijdse spelers in de internationale betrekkingen te omarmen, maar lijkt hierbij vooral Europa als speelveld en de natiestaten als actoren te prioriteren. De WRR pleit in haar rapport echter soms wel voor meer samenwerking met niet-statelijke actoren zoals bedrijven en maatschappelijke organisaties als NGOs. Prima, maar kies dan ook wel voor die NGOs en maatschappelijke organisaties in plaats van ze te bekritiseren als ze een tegengeluid laten horen zoals onlangs gebeurde met ICCO rond Israël. Was deze aanval van Minister Rosenthal een voorbeeld van een adhocracy-uitglijder of een doelbewuste aanval op de sector die hij meer in het gareel wil krijgen?

Of NLAid voor de uitvoering van het Nederlandse beleid van ontwikkelingssamenwerking het meest geëigende kanaal is, valt te betwijfelen: juist NGOs en andere maatschappelijke organisaties zijn bij uitstek geschikt om een belangrijke rol te vervullen, maar die worden niet eens genoemd. Gewoon vergeten of ligt de nadruk toch op de statelijke actoren en evt. het bedrijfsleven? En wat houdt zelfstandigheid in van NLAid als de minister blijk geeft van het niet willen ondersteunen van kritische noten? NLAid als verlengstuk van de statelijke actor; de overheid.

Het WRR rapport ‘Aan het buitenland gehecht’ over het Nederlandse buitenlandse beleid had beter ‘Terugtrekken in Fort Europa’ kunnen heten.